VERKEER · GROEP 6 · LES 1
Wie gaat er eerst?
Voorrang op de kruising
Les van Veilig in het verkeer
In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
VERKEER · GROEP 6 · LES 1
Wie gaat er eerst?
Voorrang op de kruising
Deze slide heeft geen instructies
Dit ga je leren
Je kan uitleggen wat voorrang hebben en voorrang verlenen is.
Je kan op een kruising zonder borden aanwijzen wie er eerst mag.
Je kan uitleggen wat haaientanden en de borden voor voorrang betekenen.
Je kan beschrijven wat je doet als je uit een uitrit komt.
Lees de vier doelen samen voor. Vraag: wie heeft weleens getwijfeld op de fiets wie er eerst mocht?
Kom aan het eind van de les terug op deze slide: welk doel lukt al? Welk nog niet?
Jij, op de fiets
De auto
Wie het hardst gaat
Wie mag er hier eerst?
De afbeelding is te vergroten door erop te klikken.
Laat de kinderen goed kijken: jij fietst van onder naar boven, een auto komt van rechts. Allebei gaan ze rechtdoor. Er staan geen borden en er liggen geen haaientanden.
Laat stemmen en bespreek de antwoorden. Hoe ben je op dit antwoord gekomen? Wat is je onderbouwing?
Op de volgende slides zie je het antwoord.
Wie gaat er eerst?
Rechts gaat voor!
Geen borden en geen symbolen op de weg?
Dan gaat verkeer van rechts eerst. Hier komt de auto van rechts en heeft dus voorrang.
Dit is dezelfde kruising als bij de peiling. Vraag nog één keer: wie gaat er eerst?
Klik verder en het gifje start. De auto rijdt door, jij wacht en fietst daarna verder. Klik nog een keer verder en de regel verschijnt.
Voorrang hebben of verlenen?
Voorrang hebben - jij mag eerst.
Voorrang verlenen - jij wacht.
Twee begrippen die je in deze les steeds hoort:
Voorrang hebben en Voorrang verlenen.
In Nederland zijn er verkeersregels om te bepalen wie voorrang heeft en wie voorrang moet verlenen.
Het linkerplaatje:
De auto en de fietser gaan allebei rechtdoor, net als het plaatje van de vorige dia. Waarom heeft de fietser nu dan voorrang? Wat is er op het plaatje veranderd?
De haaientanden zijn erbij gekomen. De bestuurder waar de haaientanden naar wijzen, moet voorrang verlenen.
Het rechterplaatje: Wie heeft hier voorrang? Waarom? Naar wie wijzen de haaientanden? Naar de fietser, die moet dus voorrang geven. Ook al komt de auto van links.
Belangrijk: voorrang krijg je, je neemt het niet. Ook als je voorrang hebt, kijk je of de ander echt stopt.
Zo werken haaientanden
Herken ze: witte driehoeken op jouw weg, vlak voor de kruising. De punten wijzen naar jou.
Wat doe jij?
Rem af en kijk. Komt er iemand, van links of van rechts? Wacht vóór de haaientanden. Is het vrij? Dan mag je door.
Kijk eerst samen naar het plaatje. Wijs de haaientanden aan: witte driehoeken op de weg, op de rijstrook waar jij rijdt, vlak voor de kruising. Ze heten zo omdat ze lijken op de tanden van een haai.
Vraag: er komt een auto van links. Wat doe jij? Laat de kinderen voorspellen.
Klik verder en het gifje start. Jij remt af, wacht vóór de haaientanden tot de auto voorbij is, en fietst dan verder. Klik nog een keer door en de uitleg verschijnt.
Rem af als je haaientanden ziet en kijk links en rechts. Komt er iemand? Stop vóór de haaientanden, niet erop of erover. Dan sta je niemand in de weg en kun je goed kijken. Is de weg vrij? Dan mag je doorrijden.
Ezelsbruggetje: de haai laat zijn tanden zien aan wie moet wachten.
Wat zie je hier?
Tik op de plaat.
Haaientanden - jij verleent voorrang.
Bord voorrang verlenen - hoort bij de haaientanden.
Auto van links - gaat voor jou. Ook van links!
Scooter van rechts - gaat ook voor jou.
Jij - kijk goed en wacht tot de weg vrij is.
Praatplaat.
Laat de leerlingen de kennis van de afgelopen slides toepassen op deze praatplaat.
Laat ze eerst vertellen wat ze zien. En stel eventueel vragen: Wie heeft er voorrang? Waar zie je dat aan? Wat moet de fietser doen?
Laat dan om de beurt een leerling op de plaat klikken: rechts verschijnt een tekstvak. Nog een keer klikken haalt het weer weg. Je kunt klikken op de haaientanden (onder de kruising), het bord, de auto, de scooter en jij.
Het stopbord
Stopbord: stop!
Altijd helemaal stilstaan, voet aan de grond. Ook als er niemand komt. Dan kijken en voorrang verlenen.
Jij komt bij een kruising met een stopbord. Er komt niemand aan. Vraag: wat doe jij?
Moet je bij een stopbord stoppen als de weg vrij is?
Klik door om het gifje te starten. Jij stopt helemaal, zet een voet op de grond, kijkt links, rechts en weer links, en fietst dan verder.
Klik nog een keer door en de regel verschijnt.
Laat leerlingen voelen wat helemaal stilstaan is: voet aan de grond. Langzaam rijden is niet genoeg.
Borden voor voorrang
Tik op een bord. Wat betekent het voor jou?
Voorrangsweg
Jij hebt voorrang op elke kruising.
Einde voorrangsweg
Let op! Je hebt geen voorrang meer.
Voorrangskruising
Op de volgende kruising heb jij voorrang.
Het bord voorrangsweg kennen de leerlingen nog uit groep 5. Laat ze bij elk bord eerst raden wat het voor hen betekent. Laat dan een leerling op het bord tikken: de uitleg verschijnt eronder.
Voorrangsweg laat weten dat jij op deze weg altijd voorrang hebt. Een fietspad naast de voorrangsweg hoort erbij: de fietsers moeten ook voorrang krijgen.
Einde voorrangsweg laat je weten dat je na dit bord niet meer op een voorrangsweg rijdt. Je moet na dit bord dus goed opletten en verkeer van rechts voor laten gaan.
Voorrangskruising is een waarschuwingsbord voor een aankomende kruising. De dikke pijl in het midden is de weg waar je op rijdt. Die weg is dikker dan de kruisende straat. Daarmee geeft het bord aan dat jouw weg voorrang heeft op deze kruising.
Veelgemaakte fout: denken dat je met voorrang niet meer hoeft te kijken. Voorrang krijg je, je neemt het niet.
De uitrit en het zebrapad
Uit een uitrit?
Iedereen gaat voor, ook op de stoep.
Zebrapad?
Wie oversteekt, gaat voor. Jij stopt.
Deze slide heeft geen instructies
STOP
Even checken!
Weet jij wie er eerst gaat? Kijk goed naar de tekening.
Deze slide heeft geen instructies
Wie gaat er eerst? Sleep 1, 2 en 3 naar het goede vak.
Alle drie gaan rechtdoor. Er staan geen borden.
Alle drie gaan rechtdoor. Er staan geen borden en er liggen geen haaientanden, dus rechts gaat voor. Laat leerlingen om de beurt een cijfer slepen en uitleggen waarom.
Laat per voertuig de rechterhand-truc doen: draai je in de richting waarin hij rijdt en steek je rechterhand uit.
Jij en de auto gaan allebei rechtdoor. Wie gaat er eerst?
De auto
Jij, want de auto komt van links
Jij, want jij bent er eerst
Hier kom jij van rechts. Kijk eerst samen naar de tekening: welke borden zie je? Voor wie is elk bord? Laat kinderen zich in de fietser verplaatsen: jij fietst rechtdoor en de auto komt van links.
Heeft de fietser of de auto voorrang?
Goed: de auto. Naast de weg van de auto staat het bord voorrangskruising (rode driehoek met een dik kruis): de auto heeft voorrang op deze kruising. Bij jou liggen haaientanden en staat het bord voorrang verlenen. Die twee horen bij elkaar.
Verwachte fout: "jij, want de auto komt van links". Rechts gaat voor geldt alleen als er geen borden staan en geen haaientanden liggen.
In het voorrang verlenen gaat het dus niet om grootte, snelheid of wie ergens het eerst is.
Jij en de auto gaan rechtdoor. Klik op degene die voorrang heeft.
1 Op de weg met de oranje ruit
2 Na de ruit met strepen
Twee situaties naast elkaar. In allebei komt de auto voor jou van rechts. Alleen het bord is anders. Laat de leerlingen per situatie kiezen:
Duim omhoog = jij eerst
Duim omlaag= de auto eerst
Laat dan een leerling op de fietser of de auto tikken: er verschijnt een groen vinkje (gaat eerst) of een rood kruis (wacht). Nog een keer tikken haalt het weer weg.
Verwachte fout: in situatie 1 de auto laten gaan ("rechts gaat voor"), en in situatie 2 jij laten gaan ("ik zat toch op de voorrangsweg?"). Vraag steeds: welk bord zie je, en wat zegt dat bord?
Je fietst van de oprit de straat op. Wie laat je voorgaan?
Alleen de auto
Alleen de voetganger
De voetganger én de auto
Goed: de voetganger én de auto. Een oprit is een uitrit. Wie uit een uitrit komt, laat iedereen voorgaan: voetgangers op de stoep, fietsers en auto's.
Verwachte fout: "alleen de auto" - kinderen denken dat voetgangers nooit voorrang hebben. Bij een uitrit wel: je rijdt over de stoep, en daar loopt de voetganger. Of "alleen de voetganger", omdat de auto van links komt: rechts gaat voor geldt niet als je uit een uitrit komt.
Vraag: welke uitritten ken jij, bij school of bij huis?
Doe-opdracht: het voorrangsspel
Teken met stoepkrijt een kruising en zet op elke weg een kruisje.
Vier kinderen kiezen een kruisje. Ze lopen tegelijk naar de kruising. Wie gaat er eerst?
Eén kind houdt een bord omhoog. Dat bord staat op de weg van dat kind.
Wat verandert er? Welk bord hoort bij de anderen? Leg ook de haaientanden neer.
Het voorrangsspel
Duur: ongeveer 20 minuten.
Voorbereiding:
- Print vooraf het Werkblad 'Voorrangsspel'.
- Plak de borden op karton.
Klaarzetten:
- Teken met stoepkrijt een kruising, twee wegen van zo'n 2 meter breed.
- Vier kinderen kiezen elk een eigen weg. Waar ze op die weg gaan staan, mogen ze zelf weten: al vlak bij of op de kruising, of nog verder weg.
Spelen:
- De vier kinderen zijn de bestuurders: ze doen alsof ze fietsen en kiezen elk een eigen weg. De rest van de klas kijkt mee en helpt.
- Ronde 1, zonder borden: op jouw teken gaan ze lopen. Wie verder weg staat, komt later bij de kruising. Wie mag er eerst? Rechts gaat voor: wie niemand rechts van zich heeft, gaat eerst. Komen er vier tegelijk aan, dan heeft iedereen iemand van rechts en kan niemand gaan. Bespreek het: in het echt maak je oogcontact en laat één bestuurder de ander voor.
- Ronde 2 en verder, één bord: een kind houdt een bord omhoog. Dat bord staat op de weg van dat kind. Vraag de klas: hoe verandert de situatie? Welk bord moet er dan op de weg van de anderen staan? Geef die borden en de haaientanden uit; de kinderen houden ze omhoog. Speel de ronde opnieuw.
Voorrangsweg of voorrangskruising: dit kind heeft voorrang. Het kind ertegenover rijdt op dezelfde weg en krijgt hetzelfde bord. De twee kinderen op de kruisende weg krijgen voorrang verlenen (of stop) en haaientanden.
Voorrang verlenen: dit kind wacht, het kind ertegenover ook; allebei haaientanden. De kruisende weg krijgt voorrangsweg of voorrangskruising.
Stop: net als voorrang verlenen, maar dit kind staat altijd helemaal stil, ook als er niemand komt.
Einde voorrangsweg: vanaf hier heeft dit kind geen voorrang meer. Staan er bij de anderen geen borden? Dan geldt weer rechts gaat voor.
Wissel van rol en van bord tot iedereen een keer bestuurder is geweest. Laat de kinderen het uitleggen met de woorden van deze les: voorrang hebben, voorrang verlenen.
Wil je minder tijd aan deze oefening besteden? Print dan meerdere sets borden uit en teken meerder kruispunten op het plein.
Wanneer gaat verkeer van rechts voor?
Exit ticket bij het doel "op een kruising zonder borden aanwijzen wie er eerst mag".
Goed antwoord: op een kruising waar geen borden staan en geen haaientanden liggen (een gelijkwaardige kruising). Dan gaan bestuurders van rechts voor, ook een auto tegenover een fietser.
Verwachte fout: "altijd". Laat dan zien dat haaientanden, borden en een uitrit vóór die regel gaan. Gebruik de antwoorden om in les 2 kort te herhalen.
Verkeerswoorden
voorrang hebben - jij mag eerst
voorrang verlenen - jij laat de ander eerst gaan
rechts gaat voor - geen borden, geen haaientanden: verkeer van rechts gaat eerst
haaientanden - witte driehoeken op de weg: jij verleent voorrang
stopbord - altijd helemaal stoppen, voet aan de grond
voorrangsweg - jij hebt voorrang op de kruisingen
uitrit - daar laat je iedereen voorgaan
Deze slide heeft geen instructies
VERKEER · GROEP 6
Goed gedaan!
De verkeerslessen van groep 6
L E S 1 · D E Z E L E S
Wie gaat er eerst?
L E S 2
Afslaan en de rotonde
Meer verkeerslessen voor groep 1 tot en met 8?
Kijk op de kanaalstart van Veilig in het verkeer.
Slotslide van groep 6, les 2: Afslaan en de rotonde. Les 1, Wie gaat er eerst?, staat er licht bij; heb je die nog niet gegeven, dan kan dat nog. Onder de verwijzing is ruimte voor de link naar de kanaalstart van Veilig in het verkeer, met alle lessen voor groep 1 tot en met 8.